Fragment 1

28 februari 2019 Uit Door admin

Zussen

Die nacht droomde ik dat Felicia en ik in zee gingen zwemmen, er was niemand op het strand, het was donker, het water was erg koud. Ze zwom met krachtige slagen steeds verder de zee in. Ik zwom met haar mee, maar naarmate ze dieper de zee in ging, werd mijn slag zwakker, ik raakte achterop.

‘Kom, we gaan terug’, riep ik.

‘Nee.’

Daarom zwom ik nog een stukje met haar mee.

‘Kom,’  zei ik, ‘we kunnen nu nog terug.’

‘Nee, we gaan nooit meer terug.’

Opeens waren we midden op zee. Ik durfde niet eens meer terug naar het strand. Alles was ver, alleen zij niet. Ze zwom naar me toe en duwde me naar beneden, kopje onder, diep het zoute water in. Ze was groter, sterker en vastbesloten.

Ik weerde haar af, stribbelde tegen, worstelde en kon af en toe een ademteug nemen. Ik vocht, tot ik dacht: wat zou er gebeuren als ik ermee stop? Wat als ik het allemaal over me heen laat komen?

Ze duwde me onder en ik bleef onder water, deed niets meer. Voelde dat het moment dat ik adem moest halen, niet lang op zich liet wachten, nog even en dan had ik mijn longen vol zout water. En dan?  

Plotseling ging de tijd trager, ik voelde mijn hart,  ervoer hoe nietig ik was in die oneindige zee, zag mezelf in het water zweven, ik opende mijn ogen.

Schrok wakker.